Lachduiven

Algemeen

De populaire tamme lachduif is geen aparte soort, maar is de gedomesticeerde vorm van de
Afrikaanse tortelduif.
Deze lachduif wordt al meer dan vier eeuwen door de mens gehouden en gefokt.
Ook het grote aantal kleurmutaties bij de tamme lachduif geeft aan de 'huisdierwording' wel een feit is.
De Afrikaanse tortelduif heeft de wetenschappelijke naam Streptopelia roseogrisea.
De tamme lachduif draagt dus dezelfde wetenschappelijke naam, maar met een toevoeging die verwijst
naar de domesticatie (domestica).
Officieel heet de tamme lachduif dus Streptopelia roseogrisea domestica.
In de praktijk wordt vaak de toevoeging risoria gebruikt, die verwijst naar het 'lachen' van de soort,
waardoor zijn naam Streptopelia roseogrisea risoria wordt.
In de meeste literatuur wordt de lachduif echter kortweg aangeduid met Streptopelia risoria.
Goed beschouwd is deze naam onjuist.

10-2-01_320x200 Lachduif wildkleur isabel (Streptopelia roseogrisea risoria) © K.Prins

Het geslacht Streptopelia telt 16 soorten, die allemaal voorkomen in de gematigde en tropische delen
van Europa, Azië en Afrika. Enkele andere bekende soorten naast de Afrikaanse tortelduif zijn de
Zomertortel, de Parelhalsband tortelduif en de Turkse tortel.

De verschillende soorten tortelduiven zijn kleine (rond 19 cm) tot middelgrote (34 cm) duiven met een
slank postuur.
De meest soorten hebben een relatief lange staart en lange puntige vleugels, waardoor het goede
vliegers zijn.

Historie

De reden dat de mens vroeger (tamme) duiven hield was vooral voor het vlees en de mest.
Later ging men over op het houden van duiven als hobby en voor de gezelligheid.
De lachduif echter is al vanaf het begin van zijn domesticatie gehouden voor de gezelligheid maar ook
uit bijgeloof. Aan deze duif en zijn gekoer werden bijzondere krachten toebedeeld.
Afhankelijk van de landstreek zou deze duif ongelukken of ziekten voorkomen.

Hoewel de lachduif al eeuwen werd gehouden was er toch weinig over deze soort bekend.
Pas de laatste 50 jaar is men zich meer voor deze duif gaan interesseren. De lachduif is bijvoorbeeld
veel gebruikt als laboratoriumvogel voor erfelijkheids- en gedragsonderzoek.
Verder bleek de lachduif een willige en betrouwbare (pleeg)ouder te zijn. Hierdoor werd en wordt hij
nog veel ingezet als voedsterduif voor andere soorten duiven.

10-2-02_320x200 Lachduif pastel grijsnek  (Streptopelia roseogrisea risoria) © N.H.v.Wijk

Pas nadat er vele nieuwe (kleur)mutaties ontstonden werd de lachduif ook als tentoonstellingsvogel
meer gewaardeerd. Dit had tot gevolg dat er nu ook door een grote groep liefhebbers bewust met
deze duif wordt gefokt.
Voor die tijd was er echter veel verwarring rondom de lachduif en niet op de laatste plaats als gevolg
van zijn vele namen.
De lachduif dankt zijn offiële Nederlandse naam aan het lachende geluid dat hij maakt bij opwinding.
Vaker wordt echter, foutief, de benaming tortelduif gebruikt.
In het Nederlandse taalgebruik heeft de lachduif ook al vele namen gehad, vaak streekgebonden en
verwezen naar een (toegekende) eigenschap. Namen op basis van het koeren zijn roepduif, koerduif en
koeroekoe. Ook roosduif, als gevolg van de vermeende preventieve werking van het dier, werd vooral
in Limburg gebruikt.
Met de naam Oost-Indische tortel werd zijn vermoedelijke herkomstgebied aangeduid. Het waren ten
slotte de zeelieden van de Verenigde-Oostindische Compagnie die de eerste lachduiven naar Europa
brachten.
Nu weten wij echter dat de lachduif niet uit Indonesië maar oorspronkelijk uit Afrika komt als de
gedomesticeerde vorm van de Afrikaanse tortelduif.
De Turkse tortelduif (Streptopelia decaocto), die ook in Nederland voorkomt, is hier zeer nauw aan
verwant, maar heeft echter geen rol gespeeld in de domesticatie van de tamme lachduif.

Ook de wetenschappelijke benaming is nogal eens veranderd. Hier zijn verschillende redenen voor.
Allereerst heeft men lang gedacht dat de tamme lachduif een zelfstandige soort was. Deze lachduif
was al in de zestiende eeuw bekend, terwijl de Afrikaanse tortelduif pas veel later is ontdekt en
beschreven.
Een andere reden is dat door sterke gelijkenissen tussen een aantal soorten vaak dezelfde naam voor
verschillende soorten werd gebruikt. Men dacht dan met dezelfde duivensoort van doen te hebben.
Andersom kwam ook voor. Dan werd een nieuwe naam gegeven aan een soort die al eerder was benoemd.
Tot 1758 werd voor de tamme lachduif de wetenschappelijke naam Turtur indicus gebruikt, die door
Aldrovandi in 1599 in zijn boek 'Ornithologia' werd geïntroduceerd.

10-2-03_320x200 Lachduif Creme-ino (Streptopelia roseogrisea risoria) © K.Prins

Aldrovandi stelt vast dat de vrouwtjes wit zijn en de mannetjes roodbruin. Gezien deze kleurbeschrijving
moeten deze duiven wel tamme lachduiven zijn geweest. Waarschijnlijk bedoelde hij de kleuren
creme-ino en pastel. Hoewel de naam anders doet vermoeden wordt door Aldrovandi India niet als
land van herkomst genoemd.

In 1758 publiceerde Linnaeus zijn beroemde werk 'Systema Naturae'. Linnaeus noemde de tamme
lachduif Columba risoria. In die tijd werd deze duif veel in Europa gehouden.
Zijn herkomst was echter nog steeds onbekend. Gebaseerd op de naam indicus van Aldrovandi
vermoedde Linnaeus en ook vele anderen dat de lachduif uit India kwam.
De Turkse tortel die op dat moment nog niet in Europa voorkwam, maar wel in India, werd ook Columba
risoria genoemd. Men dacht dat de tamme lachduif en de Turkse tortel een en dezelfde soort waren.

Het is pas in 1855 dat Blyth, waarschijnlijk als eerste, er van overtuigd is dat de Turkse tortelduif
niet de wilde vorm is van de tamme lachduif.
Blyth geeft drie argumenten voor deze stelling: het verschil in koeren, het verschil in formaat en het
verschil in de nekband. Blyth meent dat de nekband van de tamme lachduif meer overeen komt met
Afrikaanse soorten tortelduiven. Hij gaf echter toe dat van de toen bekende Afrikaanse soorten er
geen voor in aanmerking kwam, maar dat het stamvaderschap daar gezocht moet worden.
De argumenten hiervoor zijn dat de staartpentekening van de tamme lachduif en de Afrikaanse
tortelduif gelijk zijn, evenals het koerend geluid. Bovendien zijn zowel de lachduif als de
Noord-Afrikaanse tortelduif kleiner dan de Turkse tortel. Gedomesticeerdere dieren zijn meestal
groter dan hun wilde voorvader, dus de Turkse totel kan niet de stamvader zijn van onze lachduif.
Het heeft nog ruim 100 jaar geduurd voordat werd geaccepteerd dat Blyth gelijk had en de
Afrikaanse tortelduif als stamvader van onze tamme lachduif is erkend en niet de Turkse tortel.
Zo blijkt maar weer dat ondanks al deze kennis het toch nog lang heeft geduurd voordat iedereen
overtuigd was van de afkomst van onze tamme lachduif.

Kleurslagen

10-2-04_320x200 Lachduif (Streptopelia roseogrisea risoria) wildkleur phaeo-gezoomd © K.Prins

De lachduif komt in een flink aantal kleuren (of kleurslagen) voor. Deze kleurslagen ontstaan als gevolg
van mutaties (veranderingen in het genetisch materiaal) en geven ons mogelijkheden om deze
kleurmutaties en combibaties daarvan te bewaren en er verder mee te fokken.
De eerste kleurmutaties, pastel en crème-ino, waren al in de 16e eeuw bekend. Dit feit is mede de
veroorzaker van veel verwarring rond de juiste classificatie van de lachduif (zie bij Historie).
Er was geen enkele andere tortelduivensoort met een bleekbruine of witte kleur en van kleurmutaties
had men in die tijd nog nooit gehoord.
Daarom is de tamme lachduif zo lang beschouwd als een zelfstandige soort en dacht men dat de
bleekbruine kleur (pastel) de oorsprondelijke kleur was. De wildkleur was in die tijd niet bekend bij de
tamme vorm.
Pas veel later werd duidelijk dat het ging om kleurmutaties van de Afrikaanse tortelduif.
Het feit dat al zo lang geleden deze kleurmutaties ontstonden en behouden zijn gebleven bewijst
dat men toen al met goed gevolg deze duiven fokte.

Lange tijd bleef het bij deze twee kleurmutaties. Maar vooral in de laatste 50 jaren kwam daarin
snel verandering en er komen nog steeds nieuwe kleurmutaties bij.

Voor een overzicht van alle kleurslagen verwijzen we naar het gedeelte tentoonstellingsregels

Naast kleurmutaties zijn er ook twee bevederingsmutaties bekend: zijdevederig en gekuifd.
Beide bevederingsmutaties zijn met elke kleurslag te combineren, waarbij zijdevederigheid en gekuifd
ook nog gelijktijdig kunnen voorkomen.
De gekuifde- en zijdevederige lachduiven zijn nog niet algemeen voorkomend.

10-2-05_320x200 Lachduif pastel gekuifd © H.v. Grouw

Huisvesting, voeding en voortplanting

De lachduif is een gemakkelijk te houden vogel en voelt zich bijna overal snel thuis, hoewel natuurlijk
altijd geldt: hoe ruimer hoe beter. Voor een goede huisvesting zijn voldoende licht, frisse lucht en
geen tocht een vereiste.
Lachduiven kunnen zowel binnen als buiten worden gehouden.

Worden de lachduiven in een volière gehouden, dan moeten we voorkomen dat wind en regen kunnen
inslaan. Een goed nachthok is welhaast een vereiste.
Als dit goed voor elkaar is, kunnen de lachduiven ook in de winter buiten blijven.
Lachduiven zijn niet geschikt voor de vrije uitvlucht. Zij worden, als ze niet ten prooi vallen aan
roofdieren, snel wild en keren niet meer terug naar het hok.

De lachduif is een sterke territoriumvogel en dit betekent dat elk stel of koppel een bepaald gebied
voor zichzelf opeist en verdedigt. Soortgenoten worden dan niet geduld. De tamme lachduif is wel wat
verdraagzamer geworden, maar vooral tijdens de broedperiode komt dit territoriumgedrag weer sterk
naar voren. Elke andere duif wordt met geweld geweerd uit hun territorium. Jonde lachduiven,
mits niet teveel verschillend in leeftijd, kunnen zonder problemen bij elkaar worden gezet.
Zodra echter de dieren geslachtstrijp worden begint hetzelfde verhaal opnieuw. Dan moeten de dieren
koppelsgewijze of apart gehuisvest worden.
Buiten het voortplantingsseizoen kunnen meerdere duivinnen wel bij elkaar geplaatst worden.

Lachduiven zijn niet erg bevattelijk voor ziekten en bij een goede verzorging ontstaan er nauwelijks
problemen. Om zieke dieren te herkennen moet men goed weten hoe gezonde lachduiven er uit zien en
zich gedragen. Elke afwijking hiervan kan een signaal zijn voor ziekte. Bij twijfel is het verstandig een
dierenarts te raadplegen, die gespecialiseerd is in vogels.
Lachduiven kunnen wel last hebben van uitwendige parasieten, zoals luizen en mijten. Er zijn middelen
beschikbaar om deze parasieten te bestrijden.

In goede dierenwinkels zijn uitstekende zaadmengsel (zoals tortelduivenvoer) te koop voor lachduiven.
Alles wat ze nodig hebben zit hierin. De dieren moeten dan wel elke dag alles opeten, anders krijgen
ze niet alle voedingsstoffen binnen. Dus niet meer voeren dan ze elke dag kunnen opnemen.
Enige tijd voordat het broedseizoen begint moet de voeding van de duiven worden aangepast. Het
gewone tortelduivenvoer is dan niet meer voldoende voor de dieren. Om vooral te voldoen aan de extra
eiwitbehoefte van de duiven is het verstandig parkietenkrachtvoer of duivenkorrels bij te voeren.

De lachduiven moeten altijd onbeperkt grit kunnen krijgen. Dit is nodig voor een goede spijsvertering.
Goede grit bevat ook gemalen schelpen en dit is belangrijk voor de duif als kalkleverancier.
Vooral voor leggende duivinnen is dit onontbeerlijk. Koop voor lachduiven het volière- of vogelgrit,
omdat het echte duivengrit is bedoeld voor postduiven en daarom te grof is voor lachduiven.

Tot slot is natuurlijk schoon en fris drinkwater nodig. Een drinkflesje heeft de voorkeur omdat in een
flesje het water niet snel vervuild raakt.

Van nature is de lachduif een rustige en vertrouwelijke vogel.
Deze soort is daarom ook zeer geschikt voor zowel beginners als kinderen.

We zien de belangstelling voor de lachduif nog steeds toenemen en iedereen die deze duiven bekijkt
en leert kennen begrijpt dat.
Als lachduiven als koppel (één mannetje (doffer) en één vrouwtje (duivin)) worden gehouden, gaan zij
zeer makkelijk tot eileggen en broeden over. Het onderscheiden van doffer en duivin is echter bij de
lachduif niet makkelijk en meestal is het gedrag van de duiven de enige manier om met zekerheid het
geslacht vast te stellen.
Als de duiven in voortplantingsconditie komen zoeken zij een geschikte plek voor het nest. Zijn er geen
geschikte mogelijkheden voor een nest, dan worden de eieren gewoon op de grond of in de voerbak
gelegd en bebroed. Dit is natuurlijk niet de gewenste situatie. Een goede nestgelegenheid is een bakje
van 20 bij 20 centimeter met een opstaande rand van ongeveer 7 centimeter.

10-2-06_320x200 De lachduif stelt geen hoge eisen aan zijn nest © L.v.d.Meer

De lachduif legt 2 eieren. Na 14 dagen komen de jongen uit het ei en worden door de ouders gevoerd
met kropmelk.
De jongen groeien razendsnel en zijn na 15 dagen al helemaal bevederd en verlaten dan het nest en
ongeveer een week later zijn ze zelfstandig.

10-2-07_320x200 jonge lachduiven van enkele dagen oud © L.v.d.Meer

De jongen kunnen dan beter bij de ouders weggehaald worden. Vaak hebben de ouders al weer een
nieuw nest met eieren en de jongen kunnen dit nest verstoren.
In sommige gevallen is het zelfs noodzakelijk om te jongen in een ander hok te plaatsen omdat de
doffer agressief reageert naar zijn kroost.

10-2-08_320x200 jonge lachduiven kunnen prima in groepen gehuisvest worden © K.Prins

Tot slot nog een aantal kleurslagen die voorkomen bij de lachduiven.

10-2-09_320x200 bont pastel getekend © H.v. Grouw

10-2-10_320x200 de niet zo veel voorkomende wildkleur phaeo schimmel © H.v. Grouw

10-2-11_320x200 kop-en hals tekening van een bont symetrisch pastel. Duidelijk is de onderbroken nekband te zien. © K.Prins